dinsdag 4 maart 2014

Simon Carmiggelt

In de kleine Amsterdamse kroeg waar ik aan het begin van de middag binnenliep, bevonden zich slechts twee levende wezens – de oude kastelein, wiens blik geheel duidelijk maakte dat je hier de vrolijkheid in je eigen hartje mee moest brengen, en een vette, roodharige kat, die vadsig op de tapkast lag. Stilte. Het aan de muur hangende bordje 'Gezelligheid kent geen tijd' had beter 'Zwijgen wordt op prijs gesteld' kunnen luiden. Ik begon dan ook niet aan conversatie en haalde de krant uit mijn tas. Maar na een poosje kwam er een nog vrij jonge man binnen, stelde onnodig vast hoe het weer was en begon toen, op een verongelijkte toon, over een voetbalwedstrijd, waarin een speler, wiens naam ik nooit eerder had gehoord, twee mooie kansen door onbekwaam dribbelwerk schromelijk had gemist. Toen hij uitgepraat was zei de kastelein met een stem die geheel bij zijn oogopslag paste: 'Sport. Ik interesseer me niet voor sport. De enige sport die ik al jaren beoefen is glasheffen.' En om dit te illustreren, schonk hij zichzelf eens in.
   'Moet jij ook wat?' vroeg hij aan de kat.
   Die kneep zijn ogen dicht. De kastelein pakte een schoteltje, schonk het vol melk en zei: 'Hier, drink maar op. Da’s tenminste gezond.'
   Zonder van houding te veranderen begon de kat het schoteltje leeg te likken.
   'Gezond?' zei de jongeman. 'Melk is helemaal niet gezond. Je krijgt er vaatziekten van.'
   'Katten hebben geen vaten,' sprak de kastelein met grote stelligheid.
   ''t Stond anders in de krant,' zei de man.
   'Ik lees geen kranten meer,' antwoordde de kastelein. 'Ik ben van mezelf al chagrijnig genoeg. Mot ik al die narigheid dan ook nog weten? De mensen slachten mekaar af. En waarom? Ik weet het niet. Ik snap niks van de mensen. En niet alleen van de mensen. Van hem snap ik ook niks.'
   Hij wees op de kat, die de melk op had en de ogen sloot voor een after dinner dut.

Uit: Ik mag niet mopperen

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen